071. Bijbelstudie over de

GROTE VERZOENDAG - YOM KIPUR

rvpk ,vy

 

Deel 2: Hedendaagse viering

 

 

Het is alweer een maand geleden sinds wij het eerste gedeelte van deze bijbelstudie hebben behandeld en daarom denk ik dat het goed is, om nogmaals de tekst uit de Tora over de instelling van Yom Kipur [de Grote Verzoendag] te lezen om de draad weer op te kunnen pakken: “De Eeuwige nu zeide tot Moshe [Mozes]: Spreek tot uw broeder Aharon [Aaron], dat hij niet te allen tijde kome in het heiligdom binnen het voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterve; want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel. Slechts op deze wijze zal Aharon het heiligdom binnengaan: met een jonge stier ten zondoffer en een ram ten brandoffer. Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft. En van de vergadering der Israëlieten zal hij twee geitenbokken ten zondoffer en een ram ten brandoffer nemen. Dan zal Aharon de stier van zijn eigen zondoffer brengen en verzoening doen voor zich en zijn huis. Hij zal de twee bokken nemen en ze voor het aangezicht van de Eeuwige stellen bij de ingang van de tent der samenkomst, en Aharon zal over de beide bokken het lot werpen; een lot voor hvhy Adonai en een lot voor lzazi Azazel. Dan zal Aharon de bok waarop het lot voor Adonai gevallen is, brengen en hem ten zondoffer bereiden. Maar de bok waarop het lot voor Azazel gevallen is, zal men levend voor het aangezicht van de Eeuwige stellen, om daarmee verzoening te doen, door hem voor Azazel de woestijn in te zenden. Dan zal Aharon de stier van zijn eigen zondoffer brengen en verzoening doen voor zich en zijn huis; hij zal de stier van zijn eigen zondoffer slachten. En hij zal een pan vol gloeiende kolen van het altaar voor het aangezicht van de Eeuwige nemen en zijn handen vullen met fijngestoten welriekend reukwerk en dat alles brengen binnen het voorhangsel. Dan zal hij het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de Eeuwige, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel dat op de getuigenis ligt, bedekt, opdat hij niet sterve. Dan zal hij een deel van het bloed van de stier nemen en dat met zijn vinger sprenkelen op het verzoendeksel, aan de voorzijde; en voor het verzoendeksel zal hij zeven maal dat bloed met zijn vinger sprenkelen. Dan zal hij de bok van het zondoffer, voor het volk bestemd, slachten en zijn bloed naar binnen, achter het voorhangsel brengen, en met dat bloed doen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft: hij zal het op het verzoendeksel en voor het verzoendeksel sprenkelen. Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden; aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden. Geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, wanneer hij daar binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt en verzoening gedaan heeft voor zichzelf, voor zijn huis en voor de gehele gemeente Israëls. Dan zal hij naar buiten gaan naar het altaar, dat voor het aangezicht van de Eeuwige staat, en daarover verzoening doen; hij zal van het bloed van de stier en van het bloed van de bok nemen en dat rondom aan de horens van het altaar strijken. Dan zal hij daarop met zijn vinger zevenmaal van het bloed sprenkelen en het reinigen en heiligen van de onreinheden der Israeliëten. Wanneer hij de verzoening van het heiligdom en van de tent der samenkomst en van het altaar voleindigd heeft, dan zal hij de levende bok brengen, en Aharon zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun overtredingen in al hun zonden, belijden; hij zal die op de kop van de bok leggen en die door iemand, die daarvoor gereed staat, naar de woestijn laten brengen. Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land, en hij zal die bok in de woestijn vrijlaten. Daarna zal Aharon naar de tent der samenkomst komen en de linnen klederen uittrekken, die hij aangetrokken had, toen hij het heiligdom binnenging, en zal ze daar laten liggen. Hij zal zijn lichaam in water baden op een heilige plaats en zijn gewone klederen aantrekken; dan naar buiten gaan en zijn brandoffer en het brandoffer van het volk bereiden en verzoening doen voor zich en voor het volk. En het vet van het zondoffer zal hij op het altaar in rook doen opgaan. Hij nu, die de bok voor Azazel weggebracht heeft, zal zijn klederen wassen, zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen. En de stier van het zondoffer en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed gebracht werd om verzoening te doen in het heiligdom, zal men buiten de legerplaats brengen en hun huid, hun vlees en hun mest met vuur verbranden. Wie dat verbrandt, zal zijn klederen wassen, zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen. Dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn: in de zevende maand op de tiende der maand zult gij u verootmoedigen en generlei werk doen, zomin de geboren Israëliet als de vreemdeling, die in uw midden vertoeft. Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht van de Eeuwige. Het zal u een volkomen Shabat zijn en gij zult u verootmoedigen, het is een altoosdurende inzetting! En de verzoening zal de priester doen, die men gezalfd heeft en die men gewijd heeft, om in zijns vaders plaats het priesterambt te bekleden; hij zal de linnen klederen, de heilige klederen, aantrekken; het heilige der heiligen zal hij verzoenen, ook de tent der samenkomst en het altaar zal hij verzoenen, en over de priesters en het ganse volk der gemeente verzoening doen. En dit zal u een altoosdurende inzetting zijn, ten einde verzoening te doen over de Israëlieten om al hun zonden, eenmaal in het jaar. En hij deed, zoals de Eeuwige Moshe bevolen had.” (arqyv Vayiqra [Leviticus] 16:2-34). - In deel 1 van deze bijbelstudie heb ik reeds uiteengezet, dat de twee bokken Yeshua en satan moeten vertegenwoordigen, want als de ene bok “laAdonai" [voor de Eeuwige] was, dan is het niet meer dan logisch dat de andere bok, “laAzazel”, bestemd was voor Zijn tegenstander! Dat blijkt ook uit de diepere betekenis van hetgeen daarna met deze twee bokken verder gebeurde. Nadat de bok voor Adonai onschuldig geslacht werd voor de zonden van het volk, werden diezelfde zonden na deze verzoeningsdaad op de bok voor Azazel geworpen, die vervolgens levend uit de legerplaats werd gejaagd om de zonden uit het volk geheel te verwijderen en terug te brengen naar degene bij wie ze ook oorspronkelijk vandaan komen: de satan! Zo vertegenwoordigt de ene bok Yeshua, die de zonden der wereld op Zich nam en ons met Zijn onschuldig bloed verzoend heeft met Zijn Vader, terwijl de andere bok de tegenpartij vertegenwoordigd, aan wie de zonden terug worden gegeven en die dan wel voorlopig nog in leven blijft, maar op G’ds tijd geoordeeld zal worden.

 

Beide bokken typen van Yeshua???

 

En toch zijn er ook bijbeluitleggers, die nog steeds van mening zijn, dat beide bokken een beeld zijn van de Verlosser. De beide bokken schaduwen volgens hen niet twee, maar één en dezelfde Persoon af, namelijk Yeshua! In hun visie is de bok die geslacht werd de lijdende, stervende, vernederde zonde- en vloekdragende Jezus en de levende bok is de zegevierende, opgestane en uit de macht des doods ontbondene Jezus. Volgens deze zienswijze moeten de twee bokken dus afzonderlijk voorstellen, wat zich in Yeshua verenigt: de dood en de opstanding! Maaarrrrr, volgens mij kan deze theorie niet kloppen en wel om diverse redenen. Laten wij de feiten even op een rijtje zetten: nadat het lot had aangewezen welke van de twee bokken Yeshua moest voorstellen, werd hij even als zijn tegenbeeld als zondoffer voor het volk geslacht. Yeshua stond echter op uit de doden en voer op naar de troon van Zijn Vader in de hemel. De andere bok werd niet geslacht, maar levend naar een onbewoonde wildernis verdreven. Het kan daarom geen symbolische voorstelling van de uit het graf verrezen Yeshua zijn, want hij stierf niet en bovendien kan de woestijn waarheen deze bok werd verdreven, ook niet de hemel voorstellen omdat de woestijn een verlaten, onbewoonde wildernis is, wat van de hemel absoluut niet gezegd kan worden. Maar ik vond in de Tora nóg een uiterst belangrijke aanwijzing voor mijn vaste overtuiging dat de tweede bok in géén geval onze Verlosser kan voorstellen maar juist een beeld is van de satan, Zijn tegenstander: “Wanneer hij de verzoening van het heiligdom en van de tent der samenkomst en van het altaar voleindigd heeft, dan zal hij de levende bok brengen, en Aharon zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun overtredingen in al hun zonden, belijden; hij zal die op de kop van de bok leggen en die door iemand, die daarvoor gereed staat naar de woestijn laten brengen. Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land, en hij zal die bok in de woestijn vrijlaten. Daarna zal Aharon naar de tent der samenkomst komen en de linnen klederen uittrekken, die hij aangetrokken had, toen hij het heiligdom binnenging, en zal ze daar laten liggen. Hij zal zijn lichaam in water baden op een heilige plaats en zijn gewone klederen aantrekken; dan naar buiten gaan en zijn brandoffer en het brandoffer van het volk bereiden en verzoening doen voor zich en voor het volk. En het vet van het zondoffer zal hij op het altaar in rook doen opgaan. Hij nu, die de bok voor Azazel weggebracht heeft, zal zijn klederen wassen, zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen.” (arqyv Vayiqra [Leviticus] 16:20-26). Deze symboliek duidt erop dat zij allebei met de duivel in aanraking waren gekomen, want beiden moesten zij zich reinigen hun klederen wassen en zich in water baden. Verder wil ik erop wijzen dat het leggen van de reeds verzoende en vergeven zonden op de kop van de levende bok pas plaats vond nadat Aharon uit het heilige der heiligen van achter het voorhangsel was teruggekeerd. Als wij de Hebreeënbrief hierover raadplegen zullen wij zien, dat dit een handeling symboliseert die pas na de wederkomst van Yeshua zal plaats vinden, als namelijk de zonden van de gehele mensheid op de kop van satan worden gelegd en hij levend voor een periode van duizend jaar naar een woeste, verlaten, onbewoonde wildernis zal worden weggezonden, naar de diepe afgrond van Openbaring 20:3. Maar als de tweede bok dus onmogelijk de opgestane Yeshua kon voorstellen, wie dan wel? De eerste bok was reeds geslacht. Hij was het beeld van de gestorven Mashiach en kon derhalve beslist niet meer de opgestane Mashiach voorstellen omdat hij al dood was. Blijft dus de vraag: wie of wat symboliseerde in de tempelplechtigheid op Yom Kipur onze verrezen Redder en Verlosser, die naar de hemel ging, naar de troon van Zijn Vader? Welnu, laten wij eerst even kijken wat het symbool is van de hemel en van G’ds troon. Als wij de heilige geschriften zorgvuldig bestuderen komen wij al gauw tot de conclusie dat het aardse beeld van de hemel het heilige der heiligen was en het aardse type van G’ds troon was het verzoendeksel in het heilige der heiligen. Wie ging, nadat de onschuldige bok voor onze zonden geslacht was, in het heilige der heiligen en bracht het verzoenend bloed binnen het voorhangsel voor deze symbolische troon van G’d? Het was de hogepriester! En hoe wordt de opgestane Yeshua, die nu aan de rechterhand van Zijn Vader in de hemel zit, in Hebreeën 4:14-5:10 genoemd? Onze Hogepriester!

 

Yeshua, onze hemelse Hogepriester

 

Laten wij daarom deze belangrijke tekst toch even lezen: “Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Yeshua, de Zoon van G’d, laten wij aan die belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd. Want elke hogepriester, die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij G’d, om gaven en offers te brengen voor de zonden. Hij kan tegemoet komend zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is, die hem verplicht evenzeer als voor het volk, voor zichzelf offers voor de zonden te brengen. En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door G’d, zoals immers ook Aharon. Zo heeft ook de Mashiach Zichzelf niet de eer toegekend Hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt; zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Malki-Tzedeq. Tijdens Zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit Zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, door G’d aangesproken als Hogepriester naar de ordening van Malki-Tzedeq.” - Yeshua is onze Hogepriester en daarom ligt het eigenlijk voor de hand wie op Yom Kipur onze Hogepriester moest symboliseren. Het was niet de levende bok, maar de hogepriester zelf! Hij, die het heiligdom binnenging om het bloed achter het voorhangsel naar het verzoendeksel, de symbolische troon van G’d te brengen, was het, die de opgestane Yeshua moest voorstllen, die figuurlijk Zijn eigen bloed binnen het voorhangsel naar de troon van Zijn Vader bracht, om daar als Hogepriester voor Zijn volk de verzoening te bewerken, en die eens bij het blazen van de laatste Shofar terug zal komen om de zonden tenslotte op de kop van de levende bok, de satan, te plaatsen en hem uiteindelijk zal wegzenden in de poel des vuurs! Er is dus een belangrijke les te leren door de Grote Verzoendag. We hebben al gezien dat de geslachte bok het in onze plaats gebrachte offer van Yeshua voorstelde, die de doodstraf op Zich nam die wij door te zondigen hebben verdiend. Maar Yeshua bleef niet dood; Hij kwam weer tot leven. Na te zijn opgevaren naar de troon van G’d pleit Hij daar voor ons - als onze Hogepriester! Door Hem hebben wij nu directe toegang tot het ware verzoendeksel: de troon der genade! Dit werd op een wonderbaarlijke wijze gedemonstreerd op het ogenblik waarop Yeshua stierf, toen "het voorhangsel van de tempel", dat de toegang tot het heilige der heiligen afsloot, van boven naar beneden in tweeën scheurde (Mattheüs 27:51; Markus 15:38). Dit zware voorhangsel, dat voor de ingang tot het heiligdom hing, werd in stukken gescheurd als dramatische getuigenis van het feit dat wij nu vrije toegang hebben tot G’ds troon. Vele verzen in de brief aan de Hebreeën vermelden de rol van Yeshua als onze Hogepriester en bemiddelaar. De Grote Verzoendag is dus het symbool van onze liefdevolle verzoening met G’d, die mogelijk is gemaakt door het offer van Zijn Zoon Yeshua haMashiach! Hebreeën 9:1-10:24 maakt ons deze symboliek duidelijk: “Nu had ook wel het eerste verbond bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aharon, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds; daarboven waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwen; hierover kunnen wij nu niet in bijzonderheden treden. Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, éénmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven. Daarmede gaf Ruach haQodesh [de Heilige Geest] te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet openlag, zolang de eerste tent nog bestond. Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die G’d daarmede dient, voor zijn besef te volmaken, daar zij met hun spijzen en dranken en onderscheiden wassingen slechts bepalingen voor het vlees zijn, opgelegd tot de tijd van het herstel. Maar de Mashiach, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf. Want als reeds het bloed van bokken en stieren en de besprenging met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden, hoeveel te meer zal het bloed van de Mashiach, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan G’d gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende G’d te dienen? En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan, om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden. Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van de erflater melding gemaakt worden; een testament toch wordt alleen van kracht, indien er iemand gestorven is, daar het nog geen gevolg heeft, zolang de erflater leeft. Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. Want nadat door Moshe elk gebod volgens de Tora aan al het volk was medegedeeld, nam hij het bloed der kalveren en der bokken met water, scharlaken wol en hysop en besprengde het boek zelf en al het volk, zeggende: Dit is het bloed van het verbond, dat G’d u heeft voorgeschreven. En ook de tabernakel en al het gereedschap voor de eredienst besprengde hij evenzo met bloed. En nagenoeg alles wordt volgens de Tora met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze. Want de Mashiach is niet binnen gegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht G’ds te verschijnen; ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat, want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld; maar thans is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door Zijn offer de zonde weg te doen. En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook de Mashiach, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten. Want daar de Tora slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken. Immers, zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na éénmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden? Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht; want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen. Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik (in de boekrol staat van Mij geschreven) om Uw wil, o G’d, te doen. In de aanhef zegt Hij: Slachtoffers en offergaven, brandoffers en zondoffers, hebt Gij niet gewild, noch daarin een welbehagen gehad, hoewel zij naar de Tora gebracht worden. Doch daarna heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik om Uw wil te doen. Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Yeshua haMashiach! (Om deze reden zeggen wij messiasbelijdende Joden in onze b’rachot, dat wij geheiligd zijn door het bloed van Yeshua en niet door de geboden!) Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen; deze echter is, na een offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van G’d, voorts afwachtende, totdat Zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor Zijn voeten. Want door een offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden. En ook Ruach haQodesh [de Heilige Geest] geeft ons daarvan getuigenis, want nadat Hij gezegd had: Dit is het verbond, waarmede Ik Mij aan hen verbinden zal na die dagen, zegt de Eeuwige: Ik zal Mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven, en hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken. Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer nodig. Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Yeshua, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, Zijn vlees, en wij een grote priester over het huis G’ds hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw.” (,yrbi Ivrim [Hebreeën] 9:1-10:24).

 

Witte klederen

 

Wij hebben dus uit de voorgaande teksten kunnen concluderen dat de eerste bok, die geslacht werd voor de zonden van het volk de stervende Yeshua moest symboliseren, terwijl de tweede bok de satan voorstelde, op wiens hoofd uiteindelijk al de zonden waarvan hij de aanstichter is, zullen worden geworpen en daarom is de hogepriester uit Leviticus een beeld van de opgestane Yeshua, die nu onze Hogepriester is in het hemelse Heiligdom! In Levitucus 16:4 lezen wij, dat Kohen haGadol, de hogepriester, bij het betreden van Qadosh haQadoshim, het heilige der heiligen, gekleed was in witte kleren, wit linnen: “Slechts op deze wijze zal Aharon het heiligdom binnengaan… Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft.” - De hogepriester, die op de Grote Verzoendag verzoening moest doen met het bloed van de geslachte bok, mocht enkel in wit linnen gekleed, zonder sieraden, in nederigheid, alleen gedekt door zijn reinheid in onschuld, welke de Eeuwige hem door de witte kleren gaf, het heiligdom binnen gaan, want de witte kleding symboliseert de rechtvaardiging en de reiniging der heiligen door het bloed van Yeshua. In Openbaring lezen wij: En rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op die tronen waren vierentwintig oudsten gezeten, in witte klederen gekleed en met gouden kronen op hun hoofden... Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen. En één van de oudsten antwoordde en zeide tot mij: Wie zijn dezen, die bekleed zijn met de witte gewaden, en vanwaar zijn zij gekomen? En ik sprak tot hem: Mijn heer, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die komen uit de Grote Verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 4:4, 7:9 en 7:13-14). Het kostbare bloed van Yeshua reinigt ons van alle zonden en maakt ons witter dan sneeuw (,ylht Tehilim [Psalmen] 51:9). Denk hierbij ook aan vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 1:18, waarin staat: “Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.” Om deze reden draagt op Yom Kipur [de Grote Verzoendag] eenieder witte kleding, als teken van reinheid die het gevolg is van de verzoening die Yeshua tot stand heeft gebracht. Ook de Kipot [keppeltjes] van de mannen en de hoofddoeken van de vrouwen zijn wit. Leren schoeisel wordt niet gedragen, maar in plaats daarvan bij voorkeur witte linnen schoenen of zelfs gympies. De hele synagoge is eveneens in het wit, ook de dekkleden van de bima, de mantels van de torarollen en het voorhangsel van de Aron haQodesh, de kast waarin de torarollen worden bewaard. Met onze witte kleding drukken wij ook ons oprechte streven uit om in ,yyxh rpc Sefer haChayim [het Boek des Levens] ingeschreven te staan, zoals wij in ]vyzx Chizayon [Openbaring] 3:5 kunnen lezen: “Wie overwint zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het Boek des Levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.” - “Wie overwint”, staat er, dus wie aan G’ds Woord blijft vasthouden en Zijn wil blijft gehoorzamen, zelfs tegen de stroom in! Onze geestelijke kleren zijn vaak door de wereld bezoedeld, en daarom mogen ons de broeders en zusters ten voorbeeld dienen, over wie één vers eerder, namelijk in ]vyzx Chizayon [Openbaring] 3:4, het volgende staat geschreven: “Doch gij hebt enkele personen te Sardes, die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn.” Witte klederen zijn dus ook een teken dat iemand waardig is om met Yeshua te mogen wandelen. Maar om dat te kunnen doen moet onze oude, zondige mens eerst sterven en in het watergraf worden begraven, zoals wij in Romeinen 6 kunnen lezen. Daarom is het ook geen toeval dat in de gemeenten, waar de doop door onderdompeling wordt toegepast, de dopeling een stralend witte jurk draagt, die veel weg heeft van een !yrkt Tachrich, een doodskleed! In het Jiddisch noemen wij zo een doodskleed een Kittel. Het is inderdaad letterlijk een doodskleed, want ook in de Joodse traditie draagt men bij speciale gelegenheden een Kittel als herinnering aan de sterfelijkheid van de mens. Zo is het vrij algemeen bij de Joden, die uit het oosten stammen, de gewoonte van de heer des huizes, om op de Sederavond voor Pesach een Kittel aan te trekken. Deze gewoonte heeft in dit geval weliswaar niets met een begrafenis te maken, maar het witte doodsgewaad herinnert wel aan het opperkleed van de hogepriester voor de plechtigheid. Plechtig is het zeker, en ergens is het toch wel een symbool voor de dood van Yeshua, die al spoedig op Zijn laatste Sedermaaltijd hier op aarde volgde. En zo heeft de Kittel ook op Yom Kipur een dubbele betekenis: het wijst enerzijds naar het verzoenend lijden en sterven van Yeshua, die door de eerste bok wordt uitgebeeld, maar tegelijkertijd naar de hogepriester, die het beeld is van onze opgestane Heer, onze Hogepriester in het hemelse Heiligdom! Veel Joodse mannen dragen dus op Yom Kipur een Kittel, want witte kleding is een symbool van heiliging en het sterven van je oude leven. Wie een nieuwe levensfase ingaat, bijvoorbeeld een huwelijk, draagt ook een Kittel. Yom Kipur kan worden beschouwd als het binnengaan van zo een nieuwe fase. Witte kleding is een beeld van reinheid en daarom is het van oudsher gebruikelijk zowel in de Joodse alsook in de christelijke traditie, dat een bruid, die als maagd het huwelijk ingaat, op de bruiloft gekleed is in een witte jurk met een witte sluier. Zo zal het ook eens zijn op de bruiloft des Lams met zijn bruid, de gemeente: “En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Eeuwige, onze G’d, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen. En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 19:6-9).

 

Hedendaagse viering van Yom Kipur

 

arqyv Vayiqra [Leviticus] 16:2-34 alsook ,yrbi Ivrim [Hebreeën] 9:1-10:24 geven ons een inzicht in de diepere geestelijke betekenis van de Grote Verzoendag, maar de hedendaagse viering van Yom Kipur is gebaseerd op arqyv Vayiqra [Leviticus] 23:26-32. Daar lezen wij: “En de Eeuwige sprak tot Moshe: Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen en de Eeuwige een vuuroffer brengen. Op die dag zult gij generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d. Want ieder die zich op die dag niet zal verootmoedigen, zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten! Ieder die enige arbeid verricht op die dag, zal Ik verdelgen uit het midden van zijn volk. Generlei arbeid zult gij verrichten: het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen. Het zal u een volkomen Shabat zijn en gij zult u verootmoedigen. Op de negende van de maand, des avonds, van avond tot avond, zult gij uw Shabat vieren.” Dit wordt in rbdmb Bamidbar [Numeri] 29:7-11 nog een keer herhaald: Op de tiende dag dezer zevende maand zult gij een heilige samenkomst hebben en u verootmoedigen, gij zult generlei arbeid verrichten. Dan zult gij de Eeuwige een brandoffer, een liefelijke reuk, brengen: een jonge stier, een ram, zeven eenjarige schapen; gaaf zullen zij zijn; en het bijbehorend spijsoffer: fijn meel aangemaakt met olie, drie tienden bij de stier, twee tienden bij de ene ram, telkens een tiende bij elk van de zeven schapen; een geitebok als zondoffer, ongeacht het zondoffer der verzoening en het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers.” - Dat de hier genoemde dierlijke offers op Yom Kipur sinds de verwoesting van de tempel niet meer toegepast worden, ook niet binnen het orthodoxe Jodendom, moge duidelijk zijn. En hoewel er sinds het offer van Yeshua er zelfs geen noodzaak meer is voor het offeren van dieren, dragen deze torateksten evenwel in belangrijke mate bij tot ons begrip van G’ds heilsplan. Let op de specifieke instructies, wanneer en hoe men dit feest moet houden. "Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag," zegt haShem. "Een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen..." Hoe kunnen wij ons "verootmoedigen" op deze dag? Wat houdt “verootmoedigen” eigenlijk precies in? Kijk, door een latere rabbijnse invulling kreeg het Hebreeuwse woord tynit ta’anit ook wel de betekenis van vasten, maar de oorspronkelijke bijbelse en taalkundige betekenis is: “zich buigen voor de Eeuwige in ootmoed [in onderworpen nederigheid, in een gevoel van onderdanigheid]. Je zou ook kunnen zeggen: “Jezelf klein maken voor G’d”. Daar kan vasten bijhoren, maar het is niet de letterlijke betekenis van het woord tynit ta’anit en mag derhalve ook niet opgelegd worden, wat in het rabbijnse Jodendom echter wel het geval is! Zo is het volgens de Halacha streng verboden om in de tijd van vlak voor zonsondergang op de dag voorafgaand aan Yom Kipur tot vlak na zonsondergang aan het einde van de Grote Verzoendag te eten en te drinken. Het Hebreeuwse woord voor “vasten” is echter ,j tzam, en zo komen wij het woord vmvj tzumu dan ook in de letterlijke betekenis van “niet eten en niet drinken” tegen in rtca Ester 4:16. Heel duidelijk komt het verschil tussen de beide woorden tot uitdrukking in arzi Ezra 8:21, waar zij naast elkaar worden gebruikt: “Toen riep ik daar, bij de rivier Ahava, een vasten uit om ons te verootmoedigen voor G’d.” Ezra gebruikt hier de woorden ,vj tzum voor “vasten” en tvnit t’anot voor “verootmoedigen”. In de teksten over Yom Kipur wordt dus nergens over “vasten” gesproken, want in Leviticus 16:29 staat geschreven: ,kyt>pn9ta ]nit t’anu et nafshoteichem [verootmoedigen van de ziel] en zowel in Leviticus 23:27 alsook in Numeri 29:7 staat: ,kyt>pn9ta ,tyni initem et nafshoteichem, wat op hetzelfde neerkomt. Ik ben dus van mening, dat het vasten op Yom Kipur wel functioneel is en ook wenselijk voor zover het op vrijwillige basis geschiedt, want ook in Ezra 8:21 wordt houdt vasten wel degelijk verband met verootmoedigen, maar toch vind ik, dat het niet door de rabbijnen mag worden opgelegd als verplichting! Vasten geeft wel uitdrukking aan ons nederig verlangen om dichter tot G’d te naderen, maar velen begrijpen niet, wat de juiste redenen zijn om te vasten. Vasten is niet bedoeld om G’d te laten toegeven aan onze wil. We vasten niet om iets van G’d te ontvangen, afgezien natuurlijk van Zijn overvloedige barmhartigheid en vergeving voor onze menselijke zwakheden. Vasten helpt ons eraan herinneren hoe tijdelijk ons fysiek bestaan is. Zonder voedsel en water zouden we spoedig omkomen. Vasten helpt ons beseffen hoezeer wij G’d nodig hebben als Degene die het leven geeft en instandhoudt. Men behoort op de Grote Verzoendag daarom altijd te vasten in een berouwvolle gemoedsgesteldheid. Let op de voorbeeldige houding van Daniël tijdens het vasten: "Ik richtte mijn aangezicht tot de Eeuwige Adonai om te bidden en te smeken, in vasten en in zak en as. En ik bad tot de Eeuwige, mijn G’d, en deed schuldbelijdenis" (laind Daniël 9:3-4). In Leviticus 23:32 lezen wij verder: “Op de negende van de maand, des avonds, van avond tot avond, zult gij uw Shabat vieren.” Deze tekst toont duidelijk aan, dat de Shabat bij zonsondergang begint en eindigt, maar hier wordt niet de wekelijkse Shabat bedoeld, maar een feestdag, een ingelaste rustdag. Op die dag mag dus niet gewerkt worden. Let wel: dit werkverbod berust in tegenstelling tot het vasten niet op een rabbijnse inzetting, maar het is de Eeuwige zelf, die het voor eeuwig heeft ingesteld! Het is dus de bedoeling dat wij in principe deze dag voor Hem reserveren voor zover dat kan. In Israël is het dan ook vanzelfsprekend, maar hier in Nederland is het helaas niet in elk bedrijf en dus niet voor iedereen mogelijk om die dag verlof op te nemen. Waar echter iedereen toe in staat is, is het geven van schenkingen en aalmoezen voor de behoeftigen. Geef voor Yom Kipur derhalve met gulle hand aan de charitatieve instellingen, want Tzedaqa is een daad van liefdadigheid, naastenliefde, en daarom een hoeksteen van de Joodse en Bijbelse ethiek. Maar de kostbaarste Tzedaqa die wij ooit hebben ontvangen, is Yeshua zelf…!!!

Werner Stauder