GROTE VERZOENDAG - YOM KIPUR
rvpk
,vy
Deel 2: Hedendaagse viering
Het is alweer een maand geleden sinds
wij het eerste gedeelte van deze bijbelstudie hebben behandeld en daarom denk
ik dat het goed is, om nogmaals de tekst uit de Tora over de instelling van Yom Kipur [de Grote
Verzoendag] te lezen om de draad weer op te kunnen pakken: “De Eeuwige nu
zeide tot Moshe [Mozes]: Spreek tot uw broeder Aharon [Aaron], dat hij niet te allen tijde kome in het heiligdom binnen het
voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterve;
want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel. Slechts op deze wijze zal Aharon het
heiligdom binnengaan: met een jonge stier ten zondoffer en een ram ten brandoffer. Het heilige linnen onderkleed zal hij
aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en met een linnen
gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit
zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water
gebaad heeft. En van de vergadering der Israëlieten zal hij twee
geitenbokken ten zondoffer en een ram ten brandoffer nemen. Dan zal Aharon de stier van zijn eigen zondoffer
brengen en verzoening doen voor zich en zijn huis. Hij zal de twee bokken nemen
en ze voor het aangezicht van de Eeuwige stellen bij de ingang van de tent der
samenkomst, en Aharon zal over de beide bokken het lot werpen; een lot voor hvhy Adonai en een lot voor lzazi Azazel. Dan zal Aharon de bok waarop het lot voor Adonai gevallen is, brengen en hem ten
zondoffer bereiden. Maar de bok waarop het lot voor Azazel gevallen is, zal
men levend voor het aangezicht van de Eeuwige stellen, om daarmee verzoening te
doen, door hem voor Azazel de woestijn in te zenden. Dan zal Aharon de stier van zijn eigen zondoffer brengen en verzoening doen voor zich en
zijn huis; hij zal de stier van zijn eigen zondoffer slachten. En hij zal een
pan vol gloeiende kolen van het altaar voor het aangezicht van de Eeuwige nemen
en zijn handen vullen met fijngestoten welriekend reukwerk en dat alles brengen
binnen het voorhangsel. Dan zal hij het reukwerk op het vuur leggen voor het
aangezicht van de Eeuwige, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel dat
op de getuigenis ligt, bedekt, opdat hij niet sterve. Dan zal hij een deel van
het
En toch zijn er ook
bijbeluitleggers, die nog steeds van mening zijn, dat beide bokken een beeld zijn van de
Verlosser. De beide bokken schaduwen volgens hen niet twee, maar één en
dezelfde Persoon af, namelijk Yeshua! In hun
visie is de bok die geslacht werd de lijdende, stervende, vernederde zonde- en
vloekdragende Jezus en de levende bok is de zegevierende, opgestane en uit de
macht des doods ontbondene Jezus. Volgens deze zienswijze moeten de twee bokken
dus afzonderlijk voorstellen, wat zich in Yeshua
verenigt: de dood en de opstanding! Maaarrrrr, volgens mij kan deze theorie
niet kloppen en wel om diverse redenen. Laten wij de feiten even op een rijtje
zetten: nadat het lot had aangewezen welke van de twee bokken Yeshua moest voorstellen, werd hij even als zijn
tegenbeeld als zondoffer voor het volk geslacht. Yeshua
stond echter op uit de doden en voer op naar de troon van Zijn Vader in de
hemel. De andere bok werd niet geslacht, maar levend naar een onbewoonde
wildernis verdreven. Het kan daarom geen symbolische voorstelling van de uit
het graf verrezen Yeshua zijn, want hij stierf
niet en bovendien kan de woestijn waarheen deze bok werd verdreven, ook niet de
hemel voorstellen omdat de woestijn een verlaten, onbewoonde wildernis is, wat
van de hemel absoluut niet gezegd kan worden. Maar ik vond in de Tora nóg een
uiterst belangrijke aanwijzing voor mijn vaste overtuiging dat de tweede bok in
géén geval onze Verlosser kan voorstellen maar juist een beeld is van de satan, Zijn tegenstander: “Wanneer hij de verzoening van het heiligdom en van de tent der samenkomst
en van het altaar voleindigd heeft, dan zal hij de levende bok brengen, en Aharon zal zijn beide handen op de kop van de
levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun
overtredingen in al hun zonden, belijden; hij zal die op de kop van de bok
leggen en die door iemand, die daarvoor gereed staat naar de woestijn laten
brengen. Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een
onvruchtbaar land, en hij zal die bok in de woestijn vrijlaten. Daarna zal Aharon naar de tent der samenkomst komen en
de linnen klederen uittrekken, die hij aangetrokken had, toen hij het heiligdom
binnenging, en zal ze daar laten liggen. Hij zal zijn lichaam in water
baden op een heilige plaats en zijn gewone klederen aantrekken; dan
naar buiten gaan en zijn brandoffer en het brandoffer van het volk bereiden en
verzoening doen voor zich en voor het volk. En het vet van het zondoffer zal
hij op het altaar in rook doen opgaan. Hij nu, die de bok voor Azazel weggebracht heeft, zal zijn
klederen wassen, zijn lichaam in water baden en daarna in de
legerplaats komen.” (arqyv Vayiqra [Leviticus]
16:20-26). Deze symboliek duidt erop dat zij allebei met
de duivel in aanraking waren gekomen, want beiden moesten zij zich reinigen hun
klederen wassen en zich in water baden. Verder wil ik erop wijzen dat het
leggen van de reeds verzoende en vergeven zonden op de kop van de levende bok
pas plaats vond nadat Aharon uit het
heilige der heiligen van achter het voorhangsel was teruggekeerd. Als wij de
Hebreeënbrief hierover raadplegen zullen wij zien, dat dit een handeling
symboliseert die pas na de wederkomst van Yeshua zal plaats vinden, als namelijk de zonden van de gehele mensheid op de kop
van satan worden gelegd en hij levend voor een periode van duizend jaar naar
een woeste, verlaten, onbewoonde wildernis zal worden weggezonden, naar de
diepe afgrond van Openbaring 20:3. Maar als de tweede bok dus onmogelijk de
opgestane Yeshua kon voorstellen,
wie dan wel? De eerste bok was reeds geslacht. Hij was het beeld van de
gestorven Mashiach en kon derhalve
beslist niet meer de opgestane Mashiach voorstellen
omdat hij al dood was. Blijft dus de vraag: wie of wat symboliseerde in de
tempelplechtigheid op Yom Kipur onze
verrezen Redder en Verlosser, die naar de hemel ging, naar de troon van Zijn
Vader? Welnu, laten wij eerst even kijken wat het symbool is van de hemel en
van G’ds troon. Als wij de heilige geschriften zorgvuldig bestuderen komen wij
al gauw tot de conclusie dat het aardse beeld van de hemel het heilige der
heiligen was en het aardse type van G’ds troon was het verzoendeksel in het
heilige der heiligen. Wie ging, nadat de onschuldige bok voor onze zonden
geslacht was, in het heilige der heiligen en bracht het verzoenend bloed binnen
het voorhangsel voor deze symbolische troon van G’d? Het was de hogepriester!
En hoe wordt de opgestane Yeshua, die nu
aan de rechterhand van Zijn Vader in de hemel zit, in Hebreeën 4:14-5:10
genoemd? Onze Hogepriester!
Laten wij daarom
deze belangrijke tekst toch even lezen: “Daar
wij nu een grote Hogepriester
hebben, die de hemelen is doorgegaan, Yeshua,
de Zoon van G’d, laten wij aan die belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen
hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle
dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen.
Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij
barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener
tijd. Want elke hogepriester, die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de
mensen op bij G’d, om gaven en offers te brengen voor de zonden. Hij kan
tegemoet komend zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met
zwakheid omvangen is, die hem verplicht evenzeer als voor het volk, voor
zichzelf offers voor de zonden te brengen. En niemand matigt zichzelf die
waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door G’d, zoals immers ook Aharon. Zo heeft ook de Mashiach
Zichzelf niet de eer toegekend Hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem
sprak: Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt; zoals Hij ook op een andere
plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Malki-Tzedeq. Tijdens Zijn dagen in het vlees heeft
Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem
uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit Zijn angst, en zo heeft Hij,
hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft
geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem
gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, door G’d aangesproken als Hogepriester naar de ordening van Malki-Tzedeq.”
- Yeshua is onze Hogepriester en daarom ligt
het eigenlijk voor de hand wie op Yom Kipur
onze Hogepriester moest symboliseren. Het was niet de levende bok, maar de
hogepriester zelf! Hij, die het heiligdom binnenging om het bloed achter het
voorhangsel naar het verzoendeksel, de symbolische troon van G’d te brengen,
was het, die de opgestane Yeshua moest
voorstllen, die figuurlijk Zijn eigen bloed binnen het voorhangsel naar de
troon van Zijn Vader bracht, om daar als Hogepriester voor Zijn volk de
verzoening te bewerken, en die eens bij het blazen van de laatste Shofar terug zal komen om de zonden tenslotte op de
kop van de levende bok, de satan, te plaatsen en hem uiteindelijk zal wegzenden
in de poel des vuurs! Er is dus een belangrijke les te leren door de Grote
Verzoendag. We hebben al gezien dat de geslachte bok het in onze plaats
gebrachte offer van Yeshua voorstelde, die de
doodstraf op Zich nam die wij door te zondigen hebben verdiend. Maar Yeshua bleef niet dood; Hij kwam weer tot leven. Na te zijn opgevaren naar de troon van
G’d pleit Hij daar voor ons - als onze Hogepriester! Door Hem hebben wij nu directe toegang tot het ware verzoendeksel: de troon der
genade! Dit werd op een wonderbaarlijke wijze gedemonstreerd op het ogenblik
waarop Yeshua stierf, toen "het
voorhangsel van de tempel", dat de toegang tot het heilige der heiligen
afsloot, van boven naar beneden in tweeën scheurde (Mattheüs 27:51; Markus
15:38). Dit zware voorhangsel, dat voor de ingang tot het heiligdom hing, werd
in stukken gescheurd als dramatische getuigenis van het feit dat wij nu vrije
toegang hebben tot G’ds troon. Vele verzen in de brief aan de Hebreeën
vermelden de rol van Yeshua als onze
Hogepriester en bemiddelaar. De Grote Verzoendag is dus het symbool van onze liefdevolle verzoening met G’d, die
mogelijk is gemaakt door het offer van Zijn Zoon Yeshua
haMashiach! Hebreeën 9:1-10:24 maakt ons deze symboliek duidelijk: “Nu had ook wel het eerste verbond bepalingen voor de
eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de
voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd
het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het
heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds,
rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het
manna, de staf van Aharon, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds; daarboven waren de cherubs
der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwen; hierover kunnen wij nu
niet in bijzonderheden treden. Dit was dan aldus ingericht, en de priesters
kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, maar
in de tweede alleen de hogepriester, éénmaal in het jaar, niet zonder bloed,
dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid
bedreven. Daarmede gaf Ruach haQodesh [de Heilige Geest] te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet
openlag, zolang de eerste tent nog bestond. Dit was een zinnebeeld voor de
tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij
machte waren hem, die G’d daarmede dient, voor zijn besef te volmaken, daar zij
met hun spijzen en dranken en onderscheiden wassingen slechts bepalingen voor
het vlees zijn, opgelegd tot de tijd van het herstel. Maar de Mashiach,
opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is
door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is,
niet van deze schepping, en dat niet met het
Wij hebben dus uit de voorgaande teksten
kunnen concluderen dat de eerste bok, die geslacht werd voor de zonden van het
volk de stervende Yeshua moest symboliseren, terwijl de tweede bok de satan voorstelde, op wiens
hoofd uiteindelijk al de zonden waarvan hij de aanstichter is, zullen worden
geworpen en daarom is de hogepriester uit Leviticus een beeld van de opgestane Yeshua, die nu onze
Hogepriester is in het hemelse Heiligdom! In Levitucus 16:4 lezen wij, dat Kohen haGadol, de hogepriester,
bij het betreden van Qadosh haQadoshim, het heilige der heiligen, gekleed was in
witte kleren, wit linnen: “Slechts op deze wijze zal Aharon het heiligdom binnengaan… Het heilige
linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees
zijn en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal
hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij
zijn lichaam in water gebaad heeft.” - De
hogepriester, die op de Grote Verzoendag verzoening moest doen met het
arqyv Vayiqra [Leviticus] 16:2-34
alsook ,yrbi Ivrim [Hebreeën] 9:1-10:24 geven ons een
inzicht in de diepere geestelijke betekenis van de Grote Verzoendag, maar de
hedendaagse viering van Yom Kipur is gebaseerd op arqyv Vayiqra [Leviticus]
23:26-32. Daar lezen wij: “En de Eeuwige sprak tot Moshe: Maar op de tiende van die zevende
maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij
zult u verootmoedigen en de Eeuwige een vuuroffer brengen. Op die dag zult gij
generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag, om over u
verzoening te doen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d. Want ieder
die zich op die dag niet zal verootmoedigen, zal uitgeroeid worden uit
zijn volksgenoten! Ieder die enige arbeid verricht op die dag, zal Ik
verdelgen uit het midden van zijn volk. Generlei arbeid zult gij verrichten: het
is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw
woonplaatsen. Het zal u een volkomen Shabat zijn en gij zult u verootmoedigen. Op de negende van de maand, des avonds,
van avond tot avond, zult gij uw Shabat vieren.” Dit wordt in rbdmb Bamidbar [Numeri] 29:7-11 nog
een keer herhaald: “Op de tiende dag dezer zevende
maand zult gij een heilige samenkomst hebben en u verootmoedigen, gij
zult generlei arbeid verrichten. Dan zult gij de Eeuwige een brandoffer, een
liefelijke reuk, brengen: een jonge stier, een ram, zeven eenjarige schapen;
gaaf zullen zij zijn; en het bijbehorend spijsoffer: fijn meel aangemaakt met
olie, drie tienden bij de stier, twee tienden bij de ene ram, telkens een
tiende bij elk van de zeven schapen; een geitebok als zondoffer, ongeacht het
zondoffer der verzoening en het dagelijks brandoffer en het bijbehorend
spijsoffer en de bijbehorende plengoffers.” - Dat de
hier genoemde dierlijke offers op Yom Kipur sinds de verwoesting van de tempel niet meer toegepast worden, ook niet
binnen het orthodoxe Jodendom, moge duidelijk zijn. En hoewel er sinds het
offer van Yeshua er zelfs geen
noodzaak meer is voor het offeren van dieren, dragen deze torateksten evenwel in belangrijke mate bij tot
ons begrip van G’ds heilsplan. Let op de
specifieke instructies, wanneer en hoe men dit feest moet houden. "Maar
op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag," zegt haShem. "Een heilige samenkomst zult gij
hebben en gij zult u verootmoedigen..." Hoe kunnen wij ons
"verootmoedigen" op deze dag? Wat houdt “verootmoedigen” eigenlijk
precies in? Kijk, door een latere rabbijnse invulling kreeg het Hebreeuwse
woord tynit
ta’anit ook wel de betekenis van vasten,
maar de oorspronkelijke bijbelse en taalkundige betekenis is: “zich buigen voor
de Eeuwige in ootmoed [in onderworpen nederigheid, in een gevoel van
onderdanigheid]. Je zou ook kunnen zeggen: “Jezelf klein maken voor G’d”. Daar
kan vasten bijhoren, maar het is niet de letterlijke betekenis van het woord tynit ta’anit
en mag derhalve ook niet opgelegd worden, wat in het rabbijnse Jodendom echter
wel het geval is! Zo is het volgens de Halacha
streng verboden om in de tijd van vlak voor zonsondergang op de dag voorafgaand
aan Yom Kipur tot vlak na zonsondergang aan het
einde van de Grote Verzoendag te eten en te drinken. Het Hebreeuwse woord voor
“vasten” is echter ,j tzam, en zo komen wij het
woord vmvj
tzumu dan ook in de letterlijke betekenis
van “niet eten en niet drinken” tegen in rtca Ester
4:16. Heel duidelijk komt het verschil tussen de beide woorden tot uitdrukking
in arzi
Ezra 8:21, waar zij naast elkaar worden
gebruikt: “Toen riep ik daar, bij de rivier Ahava,
een vasten uit om ons te verootmoedigen voor G’d.” Ezra
gebruikt hier de woorden ,vj tzum voor “vasten” en tvnit t’anot
voor “verootmoedigen”. In de teksten over Yom Kipur
wordt dus nergens over “vasten” gesproken, want in Leviticus 16:29 staat
geschreven: ,kyt>pn9ta ]nit t’anu et nafshoteichem [verootmoedigen van de ziel] en zowel in Leviticus
23:27 alsook in Numeri 29:7 staat: ,kyt>pn9ta ,tyni initem et nafshoteichem, wat op hetzelfde neerkomt. Ik ben dus van mening,
dat het vasten op Yom Kipur wel functioneel is
en ook wenselijk voor zover het op vrijwillige basis geschiedt, want ook in Ezra 8:21 wordt houdt vasten wel degelijk verband met
verootmoedigen, maar toch vind ik, dat het niet door de rabbijnen mag worden opgelegd
als verplichting! Vasten geeft wel uitdrukking aan ons nederig verlangen
om dichter tot G’d te naderen, maar velen begrijpen niet, wat de juiste redenen
zijn om te vasten. Vasten is niet bedoeld om G’d te laten toegeven aan onze
wil. We vasten niet om iets van G’d te ontvangen, afgezien natuurlijk van Zijn
overvloedige barmhartigheid en vergeving voor onze menselijke zwakheden. Vasten
helpt ons eraan herinneren hoe tijdelijk ons fysiek bestaan is. Zonder voedsel
en water zouden we spoedig omkomen. Vasten helpt ons beseffen hoezeer wij G’d nodig hebben als
Degene die het leven geeft en instandhoudt. Men behoort op de Grote Verzoendag
daarom altijd te vasten in een berouwvolle
gemoedsgesteldheid. Let op de voorbeeldige houding van Daniël tijdens
het vasten: "Ik richtte mijn aangezicht tot de Eeuwige Adonai om te bidden en te smeken, in vasten en in zak
en as. En ik bad tot de Eeuwige, mijn G’d, en deed schuldbelijdenis" (laind Daniël
9:3-4). In Leviticus 23:32 lezen wij verder: “Op de
negende van de maand, des avonds, van avond tot avond, zult gij
uw Shabat vieren.” Deze tekst toont duidelijk aan, dat de Shabat bij zonsondergang begint en eindigt, maar hier wordt niet de wekelijkse Shabat bedoeld, maar een feestdag, een ingelaste
rustdag. Op die dag mag dus niet gewerkt worden. Let wel: dit werkverbod berust
in tegenstelling tot het vasten niet op een rabbijnse inzetting, maar het is de
Eeuwige zelf, die het voor eeuwig heeft ingesteld! Het is dus de bedoeling dat
wij in principe deze dag voor Hem reserveren voor zover dat kan. In Israël is
het dan ook vanzelfsprekend, maar hier in Nederland is het helaas niet in elk bedrijf
en dus niet voor iedereen mogelijk om die dag verlof op te nemen. Waar echter
iedereen toe in staat is, is het geven van schenkingen en aalmoezen voor de
behoeftigen. Geef voor Yom Kipur derhalve
met gulle hand aan de charitatieve instellingen, want Tzedaqa is een daad van liefdadigheid,
naastenliefde, en daarom een hoeksteen van de Joodse en Bijbelse ethiek. Maar
de kostbaarste Tzedaqa die wij ooit
hebben ontvangen, is Yeshua zelf…!!!